beheer
Optie Menu
· Startpagina
· Contact met de WBE
· Pagina top 10
· Veel gestelde vragen
· WBE-bibliotheek
· Web Links

Advertentie

Klik hier om naar de website te gaan


WBE-Amstelland

De intentie van deze website is om u als WBE-lid langs deze weg snel en goed te informeren over het reilen en zeilen van de jacht en schadebestrijding binnen onze WBE. Daarnaast hopen wij de communicatie tussen de WBE-leden onderling en het bestuur te bevorderen.


Statistieken Website
We ontvingen
3474954
paginabezoeken sinds januari 2005

Advertentie

Klik hier om naar de website te gaan


 
Het Haas

 

Het Haas
Het haas komt in vrijwel alle jachtterreinen in Nederland voor, plaatselijk zelfs zeer talrijk. Het is daarom een zeer belangrijke wildsoort in het landschap van onze "cultuursteppes".

BESCHRIJVING

Indeling: Het Europese veldhaas (Lepus europaeus) en het konijn behoren beide tot de familie der Leporidae of haasachtigen. Op grond van de bouw van het gebit heeft men hem lange tijd ingedeeld bij de knaagdieren. Uit DNA-onderzoek is echter gebleken dat zij afstammen van vroege insecteneters uit het Krijt en nauw verwant zijn aan de spitsmuizen en hoefdieren.

Beschrijving: Het langgerekte, lenige "droge" lichaam van het haas rust op een paar slanke voorlopers en twee veel hoger gestelde, zeer krachtige achterlopers. Het dier is een halfzoolganger: het zet bij het lopen de zool van de voet gedeeltelijk op de grond. Het lichaam is bedekt met verschillende soorten haar, met dekharen in de wildkleur. De beharing van de onderzijde van buik en staart is wit. De zwarte oorvlekken en de veel langere oren (lepels) onderscheiden een haas van een konijn. De gespleten "hazenlip" is een aanpassing aan de knagende leefwijze.

Biotoop: Het haas is een niet-sociaal levend steppedier met een duidelijke voorkeur voor grotere vlakten (minimaal 5 ha.). De verblijfplaats heet 'het leger'.

Voortbeweging: In vertraagd ("hobbelen") of versneld galop. In spronggalop met snelheden tot 70 kilometer per uur. Op de vlucht worden "haken" geslagen.

Voedsel: Selectieve voedselkeuze, met een voorkeur voor kiemplanten, jonge plantendelen met een relatief laag celwandgehalte en akkeronkruiden zoals de paardebloem, kruisbloemigen, viooltjes en alle soorten klaver. Bij het haas is sprake van caecotrofie ofwel dubbelvertering: het opnemen van een voorverteerde en met vitamines verrijkte substantie, afgescheiden uit de blinde darm.

Voortplanting: Als betrekkelijk kleine planteneter met veel natuurlijke vijanden heeft het haas een aanzienlijk voortplantingsvermogen. Het is het grootste deel van het jaar vruchtbaar; het voortplantingsproces wordt alleen in oktober, november en december onderbroken. Deze processen worden primair beďnvloed door de daglengte. Het voortplantingsgedrag wordt 'rammelen' genoemd. Tijdens de paarvorming gaat de moer de rammelaar soms letterlijk boksend te lijf, waardoor deze ernstige verwondingen kan oplopen. Het gaat hier dus niet, zoals men algemeen denkt, om gevechten tussen rammelaars. De draagtijd is gemiddeld 42 dagen. Een volwassen, gezonde moer werpt gemiddeld elf jongen per jaar in drie tot vier worpen. Van deze jongen worden er ongeveer zes ouder dan één maand; gemiddeld blijven er drie in leven.

In een ongunstige biotoop is het overlevingspercentage echter maximaal 15%. Relatief jonge en betrekkelijk oude moeren produceren kleinere worpen.
Ongeveer drie kwartier na zonsondergang begeven jonge hazen zich in de richting van de verzorgingsplaats. De moer arriveert ongeveer een kwartier later en begint met zogen. De dagelijkse zoogtijd is, in verband met gevaar voor predatie, erg kort; slechts enkele, hooguit acht minuten. Hazenmelk is zeer geconcentreerd. Zij bevat 11-24% vet en 11-20% eiwit. De verzorgingsperiode duurt ongeveer een maand; tijdens de eerste zeventien dagen hiervan is de moedermelk onmisbaar. Daarna gaan de jongen ook groenvoer opnemen. Tijdens het drinken gaan de jongen op hun rug liggen. De moer likt dan hun geslachtsstreek. Als gevolg hiervan krijgen de jongen, als hun maag vol raakt, waarschijnlijk drang tot urineren. De moer likt de urine op en zo voorkomt zij dat de verzorgingsplaats door roofdieren wordt gevonden.


Overige kenmerken: Slijtage aan de kiezen maakt een grove schatting van de leeftijd van het haas mogelijk. Naar lichaamsgrootte onderscheidt men jonge hazen, kwart hazen, halve hazen, driekwart hazen of drielingen en volle hazen. Een vol haas weegt minstens 3 kilo. Dit gewicht heeft het in Nederland wanneer het tussen de vier en vijf maanden oud is. Het maximale lichaamsgewicht - soms ruim vijf kilo - wordt op een leeftijd van ongeveer acht maanden bereikt. Uiterlijk is er nauwelijks verschil tussen rammelaars en moeren. Jonge bazen hebben een duidelijk voelbare "jeugdknobbel" aan de buitenzijde van de voorlopers, ongeveer een centimeter boven het polsgewricht. Deze knobbel wordt de verdikking van Stroh genoemd.


Vijanden en bedreiging: Ons zachte, vochtige Atlantische klimaat is gunstig voor de ontwikkeling van parasieten, zoals de coccidiose veroorzakende Eimeria-soorten. Leverbot, bepaalde lintwormen - ook het blaaswormstadium van de vossen-/hondenlintworm- en maagworm komen bij het haas voor. Besmetting met maagwormen hangt samen met de aanwezigheid van konijnen. Besmettelijke bacterie-/virusziekten waaraan hazen kunnen lijden zijn onder andere pseudotuberculose en European Brown Hare Syndrome (EBHS).
Langdurige, de pels doorwekende regenval, gepaard gaande met kou, is funest. Er sterven dan veel jonge dieren, maar ook oude hazen worden het slachtoffer. Intensieve landbewerking maakt ook veel slachtoffers, vooral onder de zich instinctief drukkende jongen. jonge hazen worden ook veelvuldig gepredeerd door troepen kraaien.
Onkruidbestrijdingsmiddelen verarmen de vegetatie en dat betekent niet alleen minder dekking, maar ook minder voedsel-variatie voor het haas. Op doorgaande polderwegen worden regelmatig hazen aangereden. Ook worden op vrij grote schaal hazen gestroopt, bij voorkeur met 'lange honden'.


BIOTOOP- EN VELDVERZORGING

Biotoopverbetering: Hazen komen zowel voor in weidegebieden als in akkerbouwgebieden. Eenzijdige monocultures zijn daarbij het slechtste alternatief, zowel in de zomer als in
de winterperiode. Bij biotoopverbetering dient men te streven naar deze elementen: voedsel, dekking en rust.

Voedsel: Het aanleggen van kruidenrijke stroken kan zorgen voor meer diversiteit aan voedsel. Ze doen overigens ook dienst als dekking. Omdat hazen een voorkeur hebben voor jonge plantendelen en voor bloeiwijzen van akkerkruiden, moet worden voorkomen dat de ruigtestroken verhouten. Daarom is een tot twee keren per jaar maaien zinvol. Dit kan het best gebeuren in de periodes wanneer de hazen geen jongen hebben. Is dat door omstandigheden niet mogelijk, dan is het gebruik van een wildredder een alternatief. Maai vanuit het midden zodat de dieren naar de zijkanten kunnen vluchten.
Bij het ontbreken van ruigtestroken kan men in ieder geval proberen om de begroeiing in sloten te behouden. Het uitbranden van sloten en slootkanten is in meerdere opzichten funest. Ten eerste ontbreekt lange tijd daarna een goede dekking. Ten tweede zorgt de as voor verrijking van de bodem, waardoor ongewenste onkruiden alleen maar harder gaan groeien.

Dekking: Het haas heeft meestal zijn schuilgelegenheid in of nabij zijn voedselgebied. Zorg daarom voor hoekjes met ruigten en lage dekking, en als het er in zit zelfs voor wildakkers en houtwallen. Vergrassing in deze houtwallen is belangrijk Het haas is overigens ook vaak te vinden in de bouwvoor op de akker.

Rust: Hoe meer rust in het veld, hoe beter het haas gedijt. Dit is wat u er aan kunt bijdragen:

  1. Voorkom dat struinende honden en katten in het veld hun gang kunnen gaan.
  2. Houd predatoren als kraaien en vossen kort.
  3. Sluit ongebruikte zandpaden in overleg met de grond eigenaar af. Vaak voorkomt men hierdoor ook stroperij en illegale vuilstort.

Met name in de winterperiode is rust in het veld belangrijk. Door de beperkte vegetatie zijn zowel voedsel als dekking schaars, en een haas dat op de lopers "moet" geeft verwaaiing af en wordt sneller opgemerkt door stropers en predatoren. Vluchten kost energie en gaat, bij onvoldoende aanvulling, ten koste van de conditie. Het neerleggen van snoeihout van fruitbomen biedt een zekere mate van extra voedsel en beperkt enigszins de vraat aan deze bomen.

BEJAGING

Opening jacht: Onder de jachtwet is de jacht op hazen geopend van 15 okober tot en met 31 december (de jachttijden onder de Flora- en faunawet zijn nog niet bekend).

Jachtmethoden: In ons land zijn twee jachtmethodes op haas gangbaar: jagen-voor-de-voet, of het houden van een drijfjacht. Bij de voor-de-voet-jacht loopt men met drie, hooguit vier geweren in een linie. Drijfjachten vergen een groter gezelschap: drijvers op linie, met hier en daar een geweer er tussen, en een stel geweren op strategische plaatsen aan het eind van de drift. Tussenvormen zijn ook mogelijk: ruim voor-de-voet-jagen, met een of enkele geweren "op kop" van de drift. Wie vaker in het veld wil zijn, kiest voor jagen-voor-de-voet, een ander organiseert een of hooguit enkele keren per jaar een drijfjacht. Belangrijk is dat men rustgebieden in het veld in acht neemt, waar men te allen tijde van afblijft. Overbejaging is uiteraard uit den boze.
Overleg met de buurjagers in uw WBE over de data en wijze van bejagen. Vooral in gebieden met veel kleine velden is dit nuttig. Men kan afspraken maken over rustgebieden, "kantjes jagen", gezamenlijk jagen, aanvang jacht en te bejagen aantallen. In de praktijk blijkt dat een dergelijke vorm van overleg per saldo een betere hazenstand oplevert. Nog een advies: tel de hazen. Kies een vaste route door het veld en ga er-regelmatig op uit om te tellen, vooral 's ochtends vroeg en 's avonds tegen het donker worden.

Aanvang jacht: De aanvangsdatum is 15 oktober. De meesten gaan pas later op hazenjacht. De weilanden zijn dan veevrij, en de gewassen zijn geoogst. De hazen kunnen dan nog één keer geteld worden. Uiteraard wilt u hazen sparen en voldoende overhouden voor de aanwas. Schiet niet meer dan 30% van de hazen die u telt. U houdt dan 70% over. Van deze 70% sterft rond de 20% door diverse omstandigheden. Met de 50%, die u overhoudt, gaat u het volgende jaar weer in.

Verzorging geschoten haas: Laat het haas 'pekelen', d.w.z. druk voorzichtig de urine uit de blaas. Steek de achterlopers door en manoeuvreer "achterom" de ene loper in de ander, zodat het haas aan een stok gedragen kan worden of opgehangen aan een wildrek. Strijk met de hand eventuele losse plukken haar van de vacht. Zo verzorgd, toont het geschoten haas het fraaist.

HET HONDENWERK

Apporteur: Tijdens de hazenjacht wordt de hond alleen ingezet als apporteur" en niet als drijfhond. Hazen die vast liggen, geven vrijwel geen verwaaiing, zodat een drijfhond van weinig nut is. Een haas is zo zwaar dat alleen grote, sterke honden, zoals retrievers en de grotere continentale staande honden het over langere afstand kunnen dragen. Kleine honden, zoals spaniels, zijn minder geschikt. Een Engelse Springer Spaniel kan goed een enkel haas apporteren, maar is niet geschikt om een hele jachtdag lang hazen over grotere afstanden binnen te brengen.

Op de hazenjacht moet de hond rustig op post zijn. Blaffende of gillende honden zorgen voor teveel verontrusting. Zet nooit een hond tijdens de drift in, ook niet op een haas dat achter de linie beschoten wordt, want het kan door het slaan van haken weer terug gaan in de richting van de drift, waardoor de hond gevaar kan lopen. Kijk elk haas na het schot voor langere tijd na. Na afloop van de drift kan men dan eventueel gaan nazoeken. Kan men vanwege de dekking het haas niet nakijken, dan laat men de hond de aanschotplaats controleren. Vaak liggen "gemiste" hazen op zo'n 10 - 20 meter dood in de dekking en pakt de hond het 'zieke voet' op en komt terug met het aangeschoten of dode haas.

Picker-up: Als picker-up kan men twee posities innemen: op post bij de geweren of op ruime afstand achter de geweren. Tijdens de drift verlaat u de ingenomen positie niet. Een picker-up, die op overzichtelijk terrein achter de linie staat, kan alle hazen die "doorkomen" goed observeren en zien of ze geraakt zijn. Een duidelijk aangeschoten haas kan men door de hond laten vangen. Vaak is dat niet eens nodig, want aangeschoten hazen vallen vaak zo'n 100 meter achter de linie opeens dood neer. Soms ook drukt een beschoten haas zich na enkele tientallen meters. Dergelijke hazen moeten altijd gecontroleerd worden. Dat kan het beste door het haas te benaderen met de hond aan de voet en de apporteur pas in te zetten als het haas in de lopers komt.

Priest: Een alternatief voor de bekende klap achter de oren is de zogenaamde priest: een korte stok met koperen uiteinde als extra gewicht of een end van een hertengewei.


AANBEVOLEN WAPENS EN MUNITIE

Algemeen: Bij de Flora- en Faunawet behoort het jachtbesluit, dat enkele nieuwe bepalingen bevat ten aanzien van jachtwapens en munitie.
In lid 2 van artikel 12 staat dat een enkelloops hagelgeweer een magazijn heeft dat ten hoogste twee patronen kan bevatten. Deze bepaling heeft gevolgen voor automatische wapens en nu ook van zogeheten pump-guns, die van oudsher met meer dan twee patronen geladen kunnen worden. Dit betekent dat het magazijn van deze wapens nu zo moet worden aangepast, dat het niet meer dan twee patronen kan bevatten.
In lid 3 van hetzelfde artikel staat een gelijke bepaling voor kogelgeweren. Ook hiervan mag het magazijn niet meer dan twee patronen bevatten, tenzij het wapen is voorzien van een grendelinrichting waarmee het handmatig schot voor schot kan worden geladen (de grendelbuks).

De maximale korrelgrootte van de hagel, waarmee haas, konijn, fazant, eend, duif en patrijs bejaagd mogen worden, wordt in de Flora- en Faunawet vastgesteld op 3,5 millimeter (Duitse hagel no. 3). Voor konijn en houtduif is dit nieuw, want deze wildsoorten mogen volgens de huidige wet, de jachtwet, ook nog met hagel worden bejaagd van maximaal 4 millimeter doorsnee (Duitse hagel no. 1). Bij de inwerking treding van de Flora- en fauna wet, dus niet meer!

Hagelpatronen die metallisch lood bevatten zijn en blijven verboden. Hagelpatronen van vandaag hebben als lading staal (ook wel ijzerhagel genoemd), tungsten, bismut, wolfraam, molybdeen, zink of tin.

Het is van evident belang dat de jager een geoefend schutter is. Regelmatig een bezoekje aan de schietbaan houdt de vaardigheid op peil. Een rondje kleiduiven en een paar schoten met de buks op de schijf zorgen ervoor dat u als jager vertrouwd blijft met uw wapens. Schieten is een vaardigheid die je, als je hem eenmaal hebt aangeleerd, moet onderhouden.

Voor de hazenjacht: Voor de hazenjacht gebruikt u een hagelgeweer van kaliber 12 of 16/20. De hageldoorsnee is 3 of 3,25 mm (Duitse hagel 5 en 4). Staal en tungsten zijn uitstekend te gebruiken bij de jacht op het vlak. Deze soorten hebben door hun relatief harde en onvervormbare hagelkorrels en hun hoge aanvangssnelheid een nauw schotbeeld ' Het is dan ook aan te bevelen bij deze soorten geen nauwere boring dan "half choke" te gebruiken. De maximale schootsafstand voor een kaliber 12 geweer en een nuttige hagellading van 36 gram is ongeveer 35 meter op een 'dwarsend' haas.

Bij de jacht op het 'boshaas' is een zachtere hagelsoort aan te raden, zoals bismut, molybdeen of zink. Daarbij kan een boring kwart/driekwart het karwei prima aan. De maximale afstand is geringer dan bij de polderjacht, hooguit 25 meter. Hagel met een doorsnee van 2,75 mm (Duitse hagel 6) voldoet. Jaagt u toch in bos of boomgaard met staalhagel, bedenk dan dat fruittelers en bosbouwers liever geen staal in het hout tegenkomen. Houd ook rekening met het ricochet-gevaar van staalhagel; op boomtakken, paaltjes, metaaldraad of bevroren grond.

AANBEVOLEN KLEDING

Moderne jachtkleding: Wie in Nederland jaagt, wil zich in de eerste plaats wapenen tegen regen en wind. Voor veel jagers is dat een jas van gewaxt Egyptisch katoen over de trui, een regenbroek over de - waarschijnlijk corduroy- jachtbroek en rubberlaarzen. De waxjas is nog steeds in zwang, maar maakt langzaam maar zeker plaats voor jassen die onderdeel zijn van een modern kledingssysteem voor de buitenman. De verkoper van jachtkleding heeft het in dit geval over het meerlagen-systeem. Dat begint met het ondergoed. Voor de moderne jagers is dat thermo-ondergoed dat in diverse kwaliteiten verkrijgbaar is. Het is gemaakt van polypropyleen of dacron met katoen en heeft als belangrijkste eigenschap dat het de lichaamswarmte vasthoudt, maar transpiratievocht opneemt zodat de "blote bast" droog blijft. Daar overheen komt een overhemd, uiteraard met handige borstzakken voor de papieren, en daar weer overheen een dunne trui (herfst) of dikke trui (winter). Bij voorkeur is dit een trui van het inmiddels wijd en zijd ingeburgerde fleece-materiaal. Een fleece trui is dunner dan een wollen trui, maar minstens zo warm. En nu we toch bezig zijn: kies een fleece vest in plaats van een trui. Een vest kun je gemakkelijk even openritsen als het warmer wordt.
Jas en broek zijn tegenwoordig gevoerd met het snel populair wordende Goretex of Deertex materiaal, een vliesdun membraan dat kleding wind- en waterdicht maakt, maar transpiratievocht uitademt. Het zit tussen de buitenkant en de voering. Deze kunnen van verschillende materialen zijn; de buitenkant van microfiber, katoen en nylon, maar ook loden en tweed; de voering ook van diverse soorten stof. Dit soort jassen en broeken zijn er inmiddels in vele variëteiten: voor milde weersomstandigheden tot en met regelrecht hondenweer. Jachtbroeken zijn tegenwoordig vrijwel altijd voorzien van een paar handige extra beenzakken.

Waxkleding is ook nog volop in de handel. Een nadeel van waxkleding is dat deze geen vocht uitademt, zodat je na een ploeterpartij door de blubber met een natte rug kan komen te staan. Voordeel: wax is zeer gemakkelijk te reinigen, van modder, zweet of anderszins; met een natte doek is het karweitje zo gepiept. Met de meeste Tex-jassen is dat niet zo eenvoudig.

Laarzen: Laarzen vormen het belangrijkste schoeisel voor de Nederlandse jager, met name laarzen van 100% natuurrubber. Deze zijn geheel waterdicht, dragen het prettigst en zijn gemakkelijk met de tuinslang even schoon te spuiten. Er komen steeds meer laarzen op de markt met het zogenaamde "schoengevoel", d.w.z. verbeterd loopcomfort. Laarzen met een stevige Vibram-zool lopen het prettigst, ook over dikke kluiten. Het is overigens aan te bevelen om rubberlaarzen te behandelen met siliconenspray alvorens op jacht te gaan. Dit voorkomt dat er teveel klei en modder aan gaat kleven. Er is keuze uit veel soorten voering: kies nylon voor de warmere maanden en neopreen (duikpakkenmateriaal) voor de echte winter. Sokken in deze laarzen; dat zijn vaak ondergeschoven kindjes. Toch zijn goede sokken zeer belangrijk voor het loopcomfort. Katoenen sokken bieden geen soelaas: wrijving plus katoen leveren blaren op. De beste sokken bestaan uit een mengsel van wol met kunststof, zoals polyester. Er zijn tegenwoordig zelfs linker- en rechtersokken met aangepaste pasvorm te verkrijgen. Het lijkt overdreven, maar ze dragen zeker bij aan het loopcomfort.

Handschoenen zijn van fleece of neopreen, met uitsparingsvoorziening voor de schietvinger. Wol is achterhaald als materiaal voor handschoenen. Bij de hoofdbedekking zien we steeds meer petten die afgeleid zijn van de Amerikaanse baseball-cap, al dan niet voorzien van oorflappen tegen de kou. De lange klep beschermt beter tegen zon en regen; vooral de brildrager heeft er veel aan. Ook ziet men in de jacht steeds meer "andere" hoeden: hoeden van Amerikaans model, met een brede rand, die onder meer voorkomt dat regenwater in de nek drupt.

Voor de hazenjacht: Dat is niet zelden wat betreft weersomstandigheden een guur en koud gebeuren, dus het meerlagensysteem zoals hierboven omschreven komt in aanmerking. Completeer de uitrusting eventueel met een paar lieslaarzen waarmee u - verdekt opgesteld - als post in de sloot kunt staan.

CULINAIR BELANG

Culinaire top: Het haas is culinair gezien een absoluut topproduct. Praat met de chefkok van een werkelijk goed restaurant en u hoort bovendien dat Nederlands haas veel lekkerder is dan welke import-consumptiehaas dan ook. Hazenvlees is donkerrood van kleur en heeft een karakteristieke, eigen smaak. Wat het in het vrije veld heeft geconsumeerd aan kruiden en ander, zelfverkozen lekkers, projecteert het op ons bord.
Het is uit de tijd om haas te marineren alvorens het te bereiden. Marineren is van oorsprong een manier om te conserveren, maar verbloemt de authentieke smaak. Maar het is geen wet: als u het vlees van een overjarig haas wat malser wilt maken in een marinade-bad, dan gaat u uiteraard uw gang.

Gesplitste bereiding: Het bereiden van het haas leent zich uitstekend voor de tegenwoordig in zwang zijnde methode van de gesplitste bereiding. De poten kunt u stoven, of verwerken tot hazenpeper. Daarbij geldt dat zeer langzaam sudderen op een zeer laag vuur een malser resultaat oplevert dan langzaam sudderen op een laag vuur. In petroleumstel-termen: laat maar een hele dag opstaan.

Met de hazenrug gaat u anders om. U neemt de rugfilets van het karkas (of vraagt de poelier om het voor u te doen) en bakt deze om en om als biefstuk in de pan, zodat de binnenkant mooi rosé blijft. Even op een warme plaats laten rusten alvorens het vlees in circa centimeter dikke plakken te snijden. Nog lekkerder wordt het resultaat wanneer u de rug intact laat, deze om en om dichtschroeit in hete boter en het vlees vervolgens 5 minuten doorgaart in een voorverwarmde oven van 180 graden. Pak de rug met aluminiumfolie in en even laten rusten en dan pas de filets er af nemen. Dat gelukt het beste door ze met een lepel van het karkas af te scheppen en vervolgens in plakken te snijden. Waarom is dit resultaat lekkerder? Omdat bot smaak afgeeft tijdens de bereiding.

Garnituur: Afsnijdsels, karkassen en botten, inclusief de kop, zijn een perfecte basis voor de saus die u bij het haas wilt serveren. Hak de botten in grove delen en maak deze bruin in de oven. Doe ze over in een pan. Uitje-preitje-worteltje erbij, en water, totdat het geheel onder staat. Aan de kook brengen, het schuim er af scheppen met een spaan,
en enkele uren laten trekken. Door een zeef en daarna door een neteldoek gieten. Vervolgens: inkoken, inkoken, inkoken, tot ongeveer een tiende van de oorspronkelijke omvang. U krijgt dan een fond. Zodra dit enigszins stroperig begint te worden, bent u waar u wezen wilt. Wat pruimenjam, vlierbessengelei of zoiets erbij, wellicht wat Cognac of Calvados; u weet wat u lekker vindt. Met een garde mengen, de pan van het vuur nemen en wat klontjes koude roomboter erdoor kloppen. Klaar. Bosvruchten, abrikozen, appels, allerlei soorten bessen alsmede knolselderij, pompoen, lekkere nieuwe aardappelsoorten (Rozeval!), diverse soorten kool en truffel leveren een scala aan mogelijkheden voor het garnituur. Probeer eens wat truffelolie in de aardappelpuree.....


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 







Laatst gewijzigd op: 2005-01-26

[ Ga terug ]
Content ©
  
Wie is er Online?
Er zijn op dit moment, 22 gast(en) en 0 lid(leden) die online zijn.

U bent gast.

Advertentie

Klik hier om naar de website te gaan


Peilingen
In mijn jachtveld heb ik de meeste schade van:

Vos
Kraai
Grauwe gans
Verwilderde kat
Houtduif
Knobbelzwaan
Anders



Uitslagen
Peilingen

Stemmen: 574
Opmerkingen: 0

Advertentie




Adverteren??





Pagina Rendering: 0.115 Seconden