beheer
Optie Menu
· Startpagina
· Contact met de WBE
· Pagina top 10
· Veel gestelde vragen
· WBE-bibliotheek
· Web Links

Advertentie




WBE-Amstelland

De intentie van deze website is om u als WBE-lid langs deze weg snel en goed te informeren over het reilen en zeilen van de jacht en schadebestrijding binnen onze WBE. Daarnaast hopen wij de communicatie tussen de WBE-leden onderling en het bestuur te bevorderen.


Statistieken Website
We ontvingen
3474956
paginabezoeken sinds januari 2005

Advertentie




 
Het Konijn

 

Het Konijn
Waar veel zandgrond is en rust heerst, zijn wilde konijnen te vinden. Dat hoeven niet per see natuurgebieden te zijn; ook in taluds van autowegen en dijken voelt deze ijverige graver zich thuis.

BESCHRIJVING

Indeling: Het Europees of wild konijn (Oryctolagus cuniculus) hoort - net als het haas - tot de familie der Leporidae of haasachtigen.

Beschrijving: Het konijn is veel kleiner dan het haas en heeft kortere oren, zonder zwarte vlek aan de punt. De oren reiken naar voren en niet naar buiten de kop, zoals bij het haas. Ook de poten zijn veel korter; het konijn is een sprinter. De vacht heeft een andere structuur dan die van het haas en ook het tussenwandbeen van de schedel vergroeit niet. De lichaamslengte is 35 tot 45 centimeter, met een gewicht van één á twee kilo. Kruisingen tussen haas en konijn zijn onmogelijk omdat het aantal chromosomen van de dieren verschilt. Een haas heeft er 48, een konijn 44.

Biotoop: Konijnen leven heel anders dan hazen, het zijn uitgesproken sociale dieren. Ze wonen in zelf gegraven, veelvuldig vertakte bouwen, met meerdere uitgangen. Om die reden hebben ze een voorkeur voor lichte grond, zoals zandgrond. Ze graven hun bouwen het liefst in licht heuvelachtig land, met struikgewas en kleine bosjes. Deze bieden de noodzakelijke voeding en bescherming. Ook jonge, droge dennenaanplant wordt graag bewoond. Zware, natte grond of los zand worden zoveel mogelijk gemeden. Toch vindt men de soort, dankzij het enorme aanpassingsvermogen, op de meest onmogelijke plaatsen. Konijnen komen nooit voor boven een hoogte van 600 meter, hazen wel.

Bij het graven van de gangen wordt geen systeem gevolgd; er zijn veel blind eindigende zijgangen. De woonketels zijn 30 tot 60 cm hoog, de gangen hebben meestal een diameter van ongeveer vijftien centimeter. De bouw ligt tot drie meter diep, de totaallengte der gangen kan ruim 40 meter zijn. Bij de hoofdingang bevindt zich een hoop grond. Er zijn tal van vluchtgaten - bij een kolonie van 407 konijnen vond men er 2080 - met een loodrechte pijp om bij nood naar buiten te "springen". Konijnen zijn zeer sterk aan de bouw gebonden; buiten een afstand van enkele honderden meters kunnen ze hem niet meer terugvinden. Het territorium, met vaste wissels, wordt gemarkeerd met uitwerpselen.

Binnen de bouw bestaat een strenge rangorde. Oudere voedsters tonen zich zeer agressief tegenover jongere. De oude rammen heersen over bepaalde delen van het territorium. Jonge rammen proberen daarom nieuwe bouwen te vestigen en jonge voedsters werpen hun jongen in speciaal gegraven ketels, wentels geheten. Dominante voedsters brengen hun jongen in de hoofdbouw ter wereld.

Voortbeweging: Bij normaal voortbewegen "huppelt" het konijn. Op de vlucht kunnen snelheden tot 40 kilometer per uur worden bereikt. Bij gevaar wordt altijd de bouw opgezocht. Soortgenoten waarschuwen elkaar door met de achterpoten op de grond te roffelen.

Voedsel: Vijf tot zeven konijnen gebruiken evenveel voedsel als een schaap. Ze zijn hierbij vrij kieskeurig, met een voorkeur voor jonge planten en bloeiwijzen met veel eiwit. Naast grassen zijn klaver, granen, struikheide en zegge zeer geliefd. Bittere en zure kruiden worden gemeden, evenals gewassen met veel hars, een sterke geur, veel (brand)haren of stekels. Van de houtige gewassen wordt de vlier gespaard voor konijnenvraat. Bij normale aantallen zorgen konijnen ervoor dat gewassen in de groeifase blijven. Op deze wijze wordt het dichtgroeien van natuurgebieden voorkomen. Ook bij konijnen komt dubbelvertering of caecotrofie voor (zie bij het haas).

Voortplanting: Konijnen kunnen zich enorm. snel voortplanten: de jongen kunnen in hun geboortejaar al weer jongen krijgen. Daardoor kan het aantal dermate toenemen dat grote schade wordt aangericht.

De voortplantingstijd loopt van januari tot eind juni. In maart tot en met mei zijn bijna alle volwassen moeren drachtig. De eisprong vindt ongeveer twaalf uur na de paring plaats. De draagtijd is 28 - 31 dagen. De jongen worden blind geboren en wegen slechts 50 - 60 gram. Op 130 moeren worden ongeveer 100 rammen geboren. In ongeveer drie weken komen ze op een gewicht van 150 gram en eten ze zelfstandig groenvoer. De moer wordt binnen twaalf uur na het werpen weer gedekt. In ongeveer 60% van de zwangerschappen worden, onder invloed van voedselsituatie en populatiedichtheid, de embryo's weer door het moederlichaam geresorbeerd (= in lichaamsvocht opgenomen). Dit begint twaalf dagen na de bevruchting en verloopt binnen twee dagen. Ook hierna wordt de moer onmiddellijk weer gedekt. De worpgrootte varieert van één tot negen stuks.
Het aantal nakomelingen per individu wordt meestal op meer dan 30 geschat. Bij onderzoek werd echter een gemiddelde van tien - twaalf gevonden. De populatiedichtheid kan oplopen tot 100 konijnen per hectare.

Vijanden en bedreiging: Natuurlijke vijanden van het konijn zijn roofvogels (havik) en de vos. Dankzij de virusziekte myxomatose en VHS onder konijnen kon sommige inheemse flora zich enigszins herstellen van konijnenvraat. Myxomatose komt nog steeds veel voor en maakt talloze slachtoffers.


BIOTOOP- EN VELDVERZORGING

Verjonging ondergrond: Het voedsel -van het konijn komt in grote lijnen overeen met dat van het haas, met dien verstande dat het konijn meer breedbladige eiwitrijke grassen eet. Ook jonge scheuten van struiken en bijvoorbeeld bramen worden gretig gegeten. Omdat konijnen in groepen voorkomen, zal het voedselaanbod hier op aangepast' moeten zijn. Wildschade door konijnen loopt al gauw uit de hand. Konijnen zijn vaak te vinden in bos of duinachtige gebieden met veel ondergroei. Deze ondergroei zorgt voor zowel dekking als voedsel. Bij oudere bosopstanden verdwijnt vaak de ondergroei en daarmee ook het konijn. Het is daarom zaak de bosopstanden, singels en houtwallen regelmatig te verjongen en terug te zetten. Snoeien levert blijvende dekking op en bescherming tegen predatoren vanuit de lucht.

Kleine wildakkertjes, voorzien van diverse soorten grassen en klaver, kunnen ook in grotere bosarealen als voedselbron voor het konijn dienen. Vaak wordt hiervan ten onrechte gezegd dat de jagers deze veldjes alleen maar aanleggen om meer wild te kunnen schieten. Feit is echter dat deze akkertjes de konijnenvraat van jong bosplantsoen afleiden, waardoor de spontane bosverjonging meer kansen krijgt. Maar hier geldt wel: alles met mate.

Rust: Rust in het veld heeft een "zegenende" uitwerking. Sluit ongebruikte wegen af, houd struinende honden "van de deur", houd, waar mogelijk 'gedumpte' huiskatten en vossen kort.

Opening jacht: Onder de jachtwet mogen wilde konijnen het gehele jaar worden bejaagd (de jachttijden onder de Flora- en faunawet zijn nog niet bekend).

Jachtmethoden: Konijnenjacht kan op verschillende manieren. Prachtig is het jagen met handtamme fretten. Deze worden in speciale kistjes meegevoerd en op de bouw in het voorportaal van een konijnenpijp neergezet. Als de bewoners thuis zijn, zal de fret dat onmiddellijk ruiken en 'ondergaan' om de konijnen te gaan zoeken en ze uit hun bouw te jagen. De opgejaagde dieren komen op volle snelheid naar buiten en bieden even een lastige schotkans, voordat ze een gat vinden om weer onder te duiken. Snel reageren met een werpschot is het devies. Om veiligheidsredenen staan er maar enkele, hooguit drie geweren, op een bouw waar gefretteerd wordt, met de ruggen naar elkaar toe.

Het is zaak te jagen met een klein type fret. Meestal is dat een moertje. Aan een moer kan een konijn gemakkelijk ontsnappen en dus springen. Een ram is veel meer mans en kan een konijn onder de grond aan. Het komt voor dat een ram zich onder de grond tegoed doet aan een buitgemaakt konijn en zich dan enkele uren te slapen legt. Er zit dan niets anders op dan te wachten tot de fret weer naar buiten komt. Als men het frettenkistje geopend bij de bouw neerzet en elders verder jaagt, vindt men vaak na een paar uur de jachthulp weer teruggekeerd in het kistje.

Bij het fretteren moet de bouw zo rustig mogelijk worden benaderd, bij voorkeur tegen de wind in. Het is ook niet aan te bevelen rondom de bouw te gaan stampen. De konijnen moeten "verrast" worden en zullen dan mooie jacht bieden. Fretteren gebeurt niet alleen met het geweer, maar ook met netjes, die met kleine kegjes in de grond vastgezet worden boven de konijnenpijpen. De konijnen lopen zich hierin vast.

Een andere jachtmethode is dichte dekking afdrijven met een onder het geweer jagende hond. Dat zal meestal een Springer Spaniel zijn, een hondenras dat moeiteloos de dichtste dekking (bramen, duindoorn) aanneemt. Het is een voor-de-voet-methode voor slechts een of enkele geweren, met wellicht nog enkele drijvers die met hun stokken de struiken en bosjes extra bekloppen. De konijnen, die zich op deze manier laten opjagen, zullen zich maar heel even tonen alvorens ze onder gaan; ook hier is het zaak toe te slaan met een snel werpschot.

Tenslotte kan het konijn worden bejaagd met de kleinkaliberbuks. Dit gebeurt vooral in het eerste en laatste licht van de dag, veelal op plekken waar sprake is van vraat- en graafschade en waar de verstoring voor het omliggende gebied zo gering mogelijk moet zijn. Hierbij gaat de voorkeur uit naar- het kopschot, om het wildbraad zoveel mogelijk intact te laten.
Bij hardnekkige schadegevallen, zoals bijvoorbeeld dijkvergraving, kan een artikel 53 ontheffing worden aangevraagd: de zogenoemde lichtbakvergunning. Met een dergelijke ontheffing mag na zonsondergang met kunstlicht worden gejaagd.
Dit gebeurt in koppels van twee: de ene jager bedient het geweer of de buks, de tweede hanteert de schijnwerper met geconcentreerde lichtbundel. De konijnen blijven in de lichtbundel zitten, zodat ze gemakkelijk - met de buks tot een afstand van ongeveer 50 meter - kunnen worden ingerekend.

Verzorging geschoten konijn: Net als bij het haas, drukt men bij het geschoten konijn de urine uit de blaas. Ook worden de achterlopers doorgestoken, zodat het wild kan worden opgehangen om af te koelen. Het is een goede zaak om bij warm weer geschoten konijnen alvast in het veld te ontweiden.

HET HONDENWERK

Voor de voet: Bij het voor de voet jagen in dichte dekking maakt men gebruik van drijffionden. Bij voorkeur zijn dit honden die dicht onder het geweer jagen, zoals spaniels. Zij zoeken de dekking grondig af en drijven de konijnen naar open plekken. Bij deze jachtvorm is steadiness heel belangrijk, want als,een konijn door de hond wordt achtervolgd, is er geen veilige schotkans. Omdat konijnen vaak maar heel even een schotkans bieden, moet de jager goed kunnen zien waar de hond is. Daarom hebben honden met opvallend veel wit in hun vacht de voorkeur.

Brakkeren: Bij percelen met veel aaneengesloten dekking kan men via brakkeren (jagen met brakken) proberen de konijnen uit de dekking te krijgen. De geweren staan dan op de paden rondom het perceel. Voor dit werk zijn niet alleen kortbenige brakken, maar ook teckels zeer geschikt. Zij zoeken de dekking af en als ze een konijn opdoen, zullen zij het luid blaffend volgen en de dekking uit drijven. Door hun geblaf weten de iagers waar zij de actie kunnen verwachten. Om veiligheids redenen schieten zij uitsluitend van de dekking af.

Fretteren: Honden komen ook van pas bij het fretteren. Aan de reactie van de hond kan men zien of een bouw of pijp belopen is, of niet. Elke hond kan dit, het hoeft niet per se een jachthond te zijn. Als men de hond ook wil laten apporteren, kiest men natuurlijk wel een specialist, zoals een retriever of apporterende staande hond. De hond moet rustig op post zijn en niet blaffen of piepen bij het zien yan wild.

De hond mag onder geen beding inspringen als er konijnen te voorschijn komen, maar moet wel supersnel worden ingezet als het konijn is aangeschoten, om te voorkomen dat het weer onder loopt. Aangeschoten konijnen doodt men met een tik achter de oren (zie ook bij het haas).

Bij elke vorm van konijnenjacht moet er water voor de hond zijn en, behalve bij het fretteren, hoog energevoer. Een spaniel die een hele dag heeft gejaagd en meestal meerdere keren door- en doornat is geweest, moet men na afloop van de jacht goed verzorgen. Spaniels hebben een vrij dunne vacht en kunnen het, zelfs na te zijn afgedroogd, koud hebben. Doe ze daarom in de auto meteen een hondendek om.


AANBEVOLEN WAPENS EN MUNITIE

Geweer: Een geweerschot op een konijn is bijna altijd een schot op korte afstand, tot ongeveer 20 meter. Daarom is het van belang een ruim schietend geweer te kiezen. Een combinatie van verbeterd cylindrisch/kwart choke voldoet prima. Ook een kleiduivengeweer waarvan beide lopen een skeetboring hebben is goed gereedschap voor de konijnenjacht. Staalhagel is uit den boze, vanwege het nauwe schotbeeld, de grote doorslag van de harde hagel en het ricochetgevaar in bossen en struiken. Ook de bosbouwer heeft een hekel aan staalhagel in zijn bomen. Zachte hagelsoorten als bismut, zink en molybdeen voldoen uitstekend. Een grove korrel is niet nodig. Hagel met een doorsnee van 2,75 mm (Duitse 6) of 2,5 mm (Duitse 7) is het meest geschikt.
Let bij deze vorm van jacht extra op de omgeving. Omdat vaak snel geschoten moet worden (werpschot!), kan een ongeluk in een klein hoekje zitten.

Kleinkaliberbuks: Het konijn kan ook bejaagd worden met de kleinkaliber, oftewel .22 buks. Deze is voorzien van een richtkijker. Gezien de maximale schietafstand is een kleine vergrotingsfactor, bijvoorbeeld 4 x, voldoende. Zorg ervoor dat de combinatie buks / kijker goed ingeschoten is. Gebruik bij het inschieten op de haan dezelfde munitie die u ook voor de jacht gebruikt. Inschieten op 50 meter met .22 LR (long rifie) patronen is voldoende. Kies voor een patroon die mooie regelmatige schotseries op de kaart laat zien. Hollow point patronen verdienen de voorkeur. Deze patroon veroorzaakt bij het konijn een uitschot van ongeveer een rijksdaalder. Daardoor gaat er wel eens wat wildbraad verloren, maar u kunt er bijna zeker van zijn dat het dier ter plaatse ligt.

Denk bij het schieten met de buks altijd aan de achtergrond. Het projectiel heeft ruim voldoende rest-energie om na het verlaten van het konijnenlichaam nog gevaarlijk te zijn. Een (natuurlijke) kogelvanger is absolute noodzaak. Bedenk ook dat bij het verschieten van .22 patronen altijd een ricochet-risico aanwezig is. Wind, zware regenval, sneeuw en hagel kunnen op het nietige .22 projectiel flinke invloed hebben.

AANBEVOLEN KLEDING

Warm weer: Konijnjacht vindt ook plaats in de herfst, wanneer het nog lekker warm kan zijn. Men is veel in beweging, en kiest voor jachtkleding in z'n lichtste uitvoering. In plaats van een jas is het prettig om een bodywarmer van microfibers of mouwloos vest te dragen, met veel zakken er in voor patronen, papieren en de mobiele telefoon. Wordt het wat killer, dan schakelt men over op een fleece vest.

In plaats van laarzen vormen goede schoenen een alternatief. Deze zijn halfhoog en bieden voldoende enkelbescherming. Goede jachtschoenen hebben een waterafstotende, vetleren buitenkant, zijn meestal waterdicht en hebben een dikke zool met veel profiel, voor optimaal loopcomfort in geaccidenteerd terrein.

Zolen van het Vibram-materiaal zijn tegenwoordig bijzonder in zwang. Ook veel jachtschoenen zijn uitgevoerd met een tussenvoering die water- en winddichtheid bewerkstelligt, terwijl transpiratievocht (en hitte) wordt afgevoerd. Zie verder voor jachtkleding onder het hoofdstuk: HET HAAS.


CULINAIR BELANG

Gesplitste bereiding: Het vlees van wild konijn is licht van kleur en bijzonder fijn, zelfs subtiel van smaak. Het heeft zeker geen "sterke" wildsmaak, het neigt zelfs wat naar de zoete kant. Ook konijn wordt steeds vaker bereid volgens de gesplitste bereidingsmethode (zie onder HET HAAS). Verse, Mediterrane kruiden ondersteunen de smaakvan het vlees op subtiele wijze: tijm, majoraan, basilicum en oregano.


Verder is het heerlijk konijn te stoven in bier of witte wijn, al dan niet in combinatie met mosterd. Vooral pruimen, abrikozen en verschillende koolsoorten, waaronder niet in de laatste plaats groene kooi en Chinese kool, zijn perfecte begeleiders bij een konijnengerecht.


Kies eventueel als basis voor de saus kalfsfond, dat u in potten bij de poelier of de betere supermarkt kunt kopen. Inkoken en mengen met de kruiden en smaakversterkers van uw keuze. Klop wat slagroom op tot yoghurtdikte en roer dit vlak voor het opdienen door de saus. U mag blijven....

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 







Laatst gewijzigd op: 2005-01-26

[ Ga terug ]
Content ©
  
Wie is er Online?
Er zijn op dit moment, 22 gast(en) en 0 lid(leden) die online zijn.

U bent gast.

Advertentie




Peilingen
In mijn jachtveld heb ik de meeste schade van:

Vos
Kraai
Grauwe gans
Verwilderde kat
Houtduif
Knobbelzwaan
Anders



Uitslagen
Peilingen

Stemmen: 574
Opmerkingen: 0

Advertentie




Adverteren??





Pagina Rendering: 0.076 Seconden